Geschiedenis van Chocolade



Wist je dat: de geschiedenis van cacao en chocolade tot wel 4000 jaar teruggaat?

Wist je dat: cacao vroeger in de cultuur van de Maya's en Azteken een belangrijke rol speelde als betaalmiddel?

Er zijn maar weinig voedingsmiddelen met zo'n rijke en boeiende geschiedenis als cacao en chocolade. Oorspronkelijk vinden we de cacaoboon, net als de koffieboon in de pre-Columbiaanse culturen in Latijns-Amerika.
Hernando Cortés was de eerste die cacao in Europa importeerde en er chocoladedrank van wist te maken. Destijds zorgde dit voor heel wat ophef: voor sommigen goddelijk, voor anderen godslasterlijk. Tot op de dag van vandaag hullen cacao en chocolade zich nog altijd in de mystiek van luxe en genot. Een blik in de geschiedenis laat ons zien waarom.

De Oorsprong van Chocolade

Geschiedkundigen hebben sporen gevonden van het eerste kleine dorp in de Ulúa vallei in Honduras waar cacao een centrale rol speelde. Ze hebben er de oudste drinkschalen en borden teruggevonden die ooit in Latijns-Amerika werden ontdekt.

Het lijkt dat deze schalen uitsluitend gebruikt werden voor de bereiding en consumptie van Xocoatl, de originele chocoladedrank. Geschiedkundigen geloven dat dit kleine dorp misschien wel eens de echte bakermat zou kunnen zijn van de chocolade.

Cacao was één van de bouwstenen van de Maya landbouw en godsdienst. Cacao werd als een kostbaar geschenk geofferd aan overleden hoogwaardigheidsbekleders tijdens hun begrafenisceremonies. Wetenschappers hebben in hun tombes terracotta vazen ontdekt met deksel en handvat, gevuld met een donkerbruin poeder: de overblijfselen van een chocoladedrank geofferd aan de overledenen.

Andere aangetroffen vazen tonen gebeeldhouwde voorwerpen die verwijzen naar cacaobonen, terwijl andere lijken op de cacaovrucht zelf.

Het planten van de cacaozaden en het oogsten van de cacaovruchten waren gekoppeld aan zeer belangrijke en godsdienstige rituelen in de Maya maatschappij. Zij offerden fruit, veren en dieren aan de vruchtbaarheidsgod (Hobnil), de regengod (Chac) en de cacaogod (Ek Chuah) om hen te behagen zodoende een goede oogst te mogen krijgen.

Een van de oude mythische Maya “bijbels”, Popl Vuh, vertelt de scheppingsverhalen, de saga’s en de overwinningen van de Maya’s en verwijst vaak naar cacao. Het boek vertelt het verhaal van de goddelijke tweelingen die de wereld hebben bevrijd van de terreur van demonen. Illustraties van deze legendes en van de verhalen over de tweelingbroers zijn teruggevonden: zij tonen de tweeling die vazen met cacao aan de god D offeren.

Ook het heilige Maya boek Chilam Balam verwijst naar de cacaoboom: deze symboliseert de heilige boom die geplant was in de dagen van de “Donkere Tijd”, om de vier windrichtingen aan te geven vóór de komst van het Licht.

Cacao speelde een essentiële rol in de Maya gemeenschap als betaalmiddel. De naam cacao verwijst ook naar zijn waarde. Het werkwoord cacau betekende oorspronkelijk “overbrengen van diegene die wandelen, werken of telen”. Dit overbrengen kan worden geïnterpreteerd als: ruilen, betalen of zelfs het maken. Dit verwijst naar de rol van cacao als ruilmiddel en geld.

Het werd ook gebruik in de Maya en later de Azteekse cultuur in verschillende samengestelde woorden zoals nocacau (mijn geld) of mocacau (uw geld). De Spanjaarden onthielden het woord cacau aangezien het duidelijk was dat dit gekoppeld was aan het voorwerp dat werd uitgewisseld: de cacaoboon. Daarom waren de Spanjaarden ervan overtuigd dat de naam cacau gekoppeld was aan de plantensoort cacao.

Rond 900 n.Chr. begon het verval van de Mayacultuur, die tegen 1300 bijna volledig verdwenen zou zijn. Alleen het gebied Yucatan in Mexico bleef tot in de 14e en 15e eeuw over als laatste getuige van de rijke cultuur van het eens zo glorieuze koninkrijk. Het was volledig gebaseerd op de oude Mayacultuur en –gewoonten: cacao speelde nog steeds een bijzonder belangrijke rol, niet in het minst als betaalmiddel. In feite betaalden de overblijvende Mayasteden hun belastingen nog steeds in cacaobonen aan de Maya dynastie. Toch werd cacao pas echt populair nadat de Mayacultuur volledig was verdwenen.

Na de Tolteken richtten de Azteken hun eerste gemeenschappen op in Mexico rond 1300. Door zichzelf uit te roepen als afstammelingen van de Tolteken en dankzij een slimme strategie slaagden ze erin een immens grondgebied te veroveren dat een groot deel van het oude Maya grondgebied dekte. De oude gewoonten en godsdienst van de Tolteken speelden een sleutelrol in de Aztekencultuur. De Azteken aanbaden ook de koning van de Tolteken, Quetzalcoatl, wat opnieuw een link legt tussen de Azteken en cacao.

Quetzalcoatl – de mythische koning en god van de Tolteken – was gedeeltelijk man, slang en vogel. Hij had een lang lelijk gezicht en kleurige veren. Volgens de legende ontving Quetzalcoatl cacao als een geschenk van de goden. Het was zijn taak om het van het paradijs Eden naar de mens te brengen en hen te leren hoe de verschillende gewassen te telen.

Quetzalcoatl voerde zijn taak goed uit. Zijn koninkrijk Tula was gebouwd op de vaardigheden van zijn onderdanen: zij smolten en verwerkten zilver en kostbare groene stenen en dankten hun vaardigheden aan de goddelijke kracht van Quetzalcoatl. De cultuur van de Tolteken ontwikkelde zich snel en hun rijkdom werd ten toon gespreid in hun huizen, zilver, groene stenen, witte schelpen en de rijke grond die overvloedige oogsten opleverde van maïs, katoen en ... cacao.

Het tij keerde echter toen drie tovenaars geruchten en leugens begonnen te verspreiden in het paradijs van Tula. Eén van hen, Titlacauan, bood Quetzalcoatl een speciale drank aan die hem de eeuwige jeugd zou schenken en hem terug naar het paradijs zou brengen. De drank bleek giftig te zijn en maakte Quetzalcoatl gek: hij verbrandde alle huizen en cacaobomen in Tula. Daarna verdween hij op een vlot naar open zee en is nooit meer teruggezien. Gelukkig waren niet alle cacaobomen verbrand. De cacaoteelt kon verdergaan.

De Azteken geloofden dat de koning en god Quetzalcoatl die zij aanbaden zou terugkeren naar Mexico: genezen en met een heldere geest. Ze waren er in feite van overtuigd dat Quetzalcoatl zou terugkeren in het jaar 1519, op dezelfde plaats als waar hij was ontsnapt.

Cacao naar Europa

1502 was het eerste belangrijke jaar in de kennismaking van Europa met cacao en chocolade. Het was de avontuurlijke tijd van de Spaanse veroveraars, met Christoffel Columbus die als eerste naar de nieuwe wereld zeilde. Toen hij het eiland Guanahaní – bij Honduras – aan wal ging, kwamen lokale bewoners hem tegemoet in prauwen beladen met cacaobonen.

Toen zij hun kostbare geschenk aan Columbus gaven, vielen enkele bonen in het water. De Mexicanen doken in het water om de bonen te redden alsof ze de meest kostbare items ter wereld waren. Dit verbaasde de Spanjaarden. Ze kenden echter de waarde niet van deze "vreemde amandelen" en beschouwden ze in eerste instantie als een waardeloze lokale curiositeit.

In 1519 – hetzelfde jaar waarin de Azteken voorspelden dat hun geverderde god Quetzalcoatl zou terugkeren – zette Cortés voet aan wal in Mexico, op dezelfde plaats waar Quetzalcoatl naar zee was ontsnapt.

Het was dan ook niet verbazend dat de Azteekse keizer Montezuma Cortés – gekleed in goud en gekleurde veren – per vergissing hield voor de teruggekeerde Quetzalcoatl. Ze boden hem cacao aan, die Cortés intrigeerde. Hij had gedacht goud te vinden, maar in plaats daarvan vond hij deze vreemde vrucht met een schijnbaar soortgelijke waarde, aangezien hij al snel ontdekte dat de Azteken de bonen gebruikten als een betaalmiddel.

Cortés veroverde het land en begon al snel cacaoplantages aan te leggen. Hij was er immers van overtuigd dat cacao hem dezelfde rijkdom zou brengen als het goud waarop hij had gehoopt. De Spaanse veroveraars gebruikten de cacaobonen als een lokaal betaalmiddel: zij kochten er slaven, voedsel en drank mee en ontdekten ook hoe ze er een voedzaam en goddelijk smakend drankje mee konden maken: xocoatl. Inderdaad, chocolade.

Voor hun chocoladedrank openden de Azteken de cacaovruchten, namen er 20 tot 30 bonen uit die ze gedurende enkele dagen in de zon lieten drogen. Vervolgens roosterden ze de bonen boven de hitte van een open vuur, wat zorgde voor een overweldigende, zoete geur. Daarna maalden ze de bonen met een zware rol en een gebogen steen, een “metate”, en voegden kruiden, specerijen en rode pepers toe om een rode pasta te verkrijgen. Deze pasta werd opgelost in water en overgegoten in verschillende schalen totdat het begon te schuimen. Dit vette en zachte schuim maakte volgens de Azteken de drank verrukkelijk.

De Spanjaarden waren oorspronkelijk uitsluitend geïnteresseerd in de economische waarde van cacao. Ze vonden de chocoladedrank vreselijk en beschouwden de rites en gewoonten als godslastering. Na enkele decennia konden de Azteken de Spanjaarden overtuigen van de grote voedingswaarde en geneeskundige krachten van cacao, cacaoboter en de chocoladedrank.

1528: Cortés importeert de eerste cacaobonen in Spanje, dat de cacaoteelt controleerde en stimuleerde in een beperkt gebied van Latijns-Amerika. De Spanjaarden domineerden en monopoliseerden zelfs de cacaomarkt en probeerden het geheim van dit nieuwe goud voor zichzelf te houden.

Chocolade Komt aan op het Europese Continent ... Als Geneesmiddel

Toen chocolade aankwam op het Europese continent werd het eerst beschouwd als een geneesmiddel, eerder dan een verrukkelijk voedingsmiddel. Dit had te maken met het Azteekse geloof dat chocolade het lichaam versterkte en sensueel stimulerend werkte. De eerste officiële melding is afkomstig van Bonavontura Di Aragon, broer van Kardinaal Richelieu, in 1653: hij schreef dat het gebruik van chocolade de gezonde werking van de milt en andere verteringsfuncties zou stimuleren.

Een ander voorbeeld van deze geneeskundige classificatie van chocolade is terug te vinden in de allereerste publicatie van een chocoladerecept, door de Spaanse arts Antonio Colmenero de Ledesma in 1631. Dit was gebaseerd op het oude Azteekse recept, maar de bittere smaak werd verbeterd door bloemen en kruiden toe te voegen als anijs, vanille, rozen van Alexandrië, kaneel, amandelen, hazelnoten ... De toegevoegde specerijen hingen af van de fysieke kwaaltjes waaraan iemand leed.

Apothekers en artsen voegden in de 17e eeuw vaak hun eigen “functionele en beproefde” medicijnen toe aan het chocoladerecept. De smaak van chocolade maakte de vaak bittere en slechte smaak van veel medicijnen aanvaardbaarder.

In de 17e en 18e eeuw werd chocolade regelmatig voorgeschreven of gemengd in medicatie tegen allerlei kwaaltjes en ziekten: de Nederlandse arts Bontecoe beschouwde cacao als uiterst efficiënt tegen verkoudheden en hoestbuien. Volgens de Fransman Lémery bevorderde chocolade de vertering, vruchtbaarheid en menselijke weerstand tegen verkoudheden en griep. Chocolade werd zelfs beschouwd als “hersenvoedsel”, dat de mentale prestaties van mensen verbeterde of mensen die leden aan depressie kon helpen. Dit werd bevestigd door artsen over heel Europa: Bontecoe, Brillat-Savarin, Lémery en vele anderen.

Aangezien de geneeskundige eigenschappen van de chocoladedrank gebaseerd op het recept van de Azteken ruim aanvaard waren, werd chocolade al snel het voorwerp van misbruik door charlatans die voordelen toeschreven zonder enig bewijs. Chocolade werd ook een bron van oplichting en fraude, zoals het gebruik van afvalproducten (bijvoorbeeld goedkope cacaoschillen) in plaats van de kostbare pit van de cacaobonen.

... en Uiteindelijk Als Zoete Lekkernij

Benzoni, een onderzoeker in dienst van het Spaanse leger beschrijft in zijn reisverhalen in 1565 voor het eerst hoe de cacaodrank wordt bereid. De Spanjaarden houden dit geheim voor de rest van de wereld, in de hoop hun monopolie op de cacaohandel te kunnen behouden.

Toch danken we het recept voor zoete chocolade aan de kloosterzusters van Oaxaca (Mexico) – zij maakten de chocoladedrank populair bij de kolonisten door honing, kaneel en rietsuiker toe te voegen. Spaanse monniken introduceerden als eerste de zoete delicatesse in Spanje rond 1590. Zij maakten de chocoladedrank zoeter met honing en vanille. De zoete sensatie die zij ontwikkelden lag aan de basis van ons huidige chocoladerecept en zou de wereld snel veroveren.

In 1606 onthulde de Italiaanse handelaar Carletti de geheimen van cacao en de bereiding van de chocoladedrank aan zijn medelandgenoten. Carletti had cacao en chocolade geproefd in West-Indië en Spanje. Een sensatie die hij wilde delen met zijn landgenoten ... en met een groot effect. In Italië leidde dit tot een echte chocolademanie, met “cioccolatieri” die de deuren openden in alle grote steden en Perugia als het hart van de Italiaanse chocoladewereld. In Venetië doken de eerste chocoladewinkels op. Vanuit Italië werd chocolade geïntroduceerd in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland.

De Fransen leerden chocolade kennen in 1615: toen Lodewijk XIII huwde met de Spaanse Anna van Oostenrijk. Ze verhuisden naar Frankrijk en zo werd de chocoladedrank geïntroduceerd bij het koninklijk hof. Anna bracht zelfs haar eigen meid mee naar Frankrijk, Molina, een mooi meisje dat de cacaodrank van de koningin bereidde.

De Nederlanden werden in de 14e eeuw een deel van het Spaanse imperium, wat de vroege introductie van cacao (in 1621) verklaart. De West-Indische Compagnie importeerde zelfs cacao via de haven van Amsterdam, richtte er kleinschalige productie-eenheden op voor de verwerking van cacao en verkocht deze aan buitenlandse handelaars.

België werd na de dood van Karel de Kale in 1477 geannexeerd door het Spaanse imperium. De eerste sporen van cacao zijn teruggevonden in Gent in 1635, in de Baudeloo abdij.

In 1641 proefde de Duitse wetenschapper Johan Georg Volckammer chocolade op zijn reis naar Napels. Hij was zo overweldigd door de smaak dat hij wat chocolade meenam naar Duitsland. Het duurde even voor hij de Duitsers kon overtuigen, maar na een tijdje vielen velen voor de smaak. De Duitsers introduceerden zelfs de gewoonte om een kop warme chocolade te drinken voor het slapengaan. Had dit iets te maken met het Duitse geloof in chocolade als de beste stimulans voor passie?

De Engelsen beschouwden chocolade als “extravagant” toen ze het voor het eerst proefden in 1657. Net als in de rest van Europa was chocolade eerst een privilege en werd het uitsluitend genuttigd aan het koninklijk hof en door edelen. Het werd echter al snel een populair voedingsmiddel voor de hogere klasse.

Tot slot is er Frankrijk. De eerste echte chocolatier, David Chaillou, bereidde en verkocht vanaf 1659 koekjes en cakes gemaakt met chocolade voor diegenen die het konden betalen. Het was echter nog te vroeg voor de bonbons (pralines) zoals wij die vandaag kennen.

In 1674 werd chocolade opgediend als gebakje in de eerste koffiehuizen in het Verenigd Koninkrijk.

Toen Heinrich Escher, burgemeester van Zurich, in 1697 Brussel bezocht, proefde hij chocolade bij één van zijn tochten door de stad. Hij was zo verbaasd en enthousiast dat hij onmiddellijk stalen meenam naar Zwitserland. Escher had wellicht zelf nooit vermoed wat de gevolgen hiervan zouden zijn voor Zwitserland: het zou immers één van ’s werelds grootste chocoladenaties worden.

Godsdienst & Politiek

1662: De Italiaanse kardinaal Francesco Maria Brancaccio bevestigt na jaren lange discussies dat het toegelaten was voor Katholieken om chocolade te nuttigen tijdens de 40 daagse vasten, maar alleen als drank en niet in vaste vorm, verwerkt in koeken of als pastilles.

1671: De hertog van Plessis-Pralin – één van de ambassadeurs in dienst van Lodewijk XIII – was in een strijd verwikkeld met de inwoners uit Bordeaux, die de autoriteit van de Koning ondermijnden. In één van zijn sluwe buien kwam hij op het idee om snoepgoed uit te vinden dat de rebellen uit Bordeaux zou afleiden. Hij stelde dit idee voor aan zijn chefkok, Lassagne, die – bij toeval – één van zijn souschefs een amandel had zien omhullen met wat overgebleven stukjes suiker. Het idee van de bonbon (praline) was geboren. Het zou echter nog lang duren vooraleer de echte bonbon – bedekt met chocolade – werd uitgevonden.

Een Bedreiging voor Cacao

In de 17e eeuw werden de cacaoplantages overgecultiveerd, zodat de bodem uitgeput raakte. Aan de andere kant hadden de kolonisten ziekten en epidemieën verspreid die de lokale bevolking op dramatische wijze troffen. Honderdduizenden mensen stierven: lokale werkkrachten werden zeldzaam en de Spanjaarden vonden niet genoeg mannen om te werken op de duizenden cacaoplantages. Op dat moment dreigde cacao ten onder te gaan aan haar eigen succes.

Toen in de 18e eeuw empirische wetenschappers zoals Pascal en anderen de basis legden van de moderne wetenschap, verschoof het geneeskundig potentieel van chocolade naar de achtergrond en wonnen de voedende en gastronomische waarden aan belang. Het recept voor de chocoladedrank werd tegelijk eenvoudiger en zuiverder: cacao, suiker, vanille en melk of water werden de belangrijkste ingrediënten, terwijl muskus, amber en medische ingrediënten werden weggelaten.

Genieten van de smaak van goede chocolade werd belangrijker dan het vermogen om allerhande kwalen te genezen.

Veel chocolademuseums stellen wondermooie collecties chocoladeservies uit de 18e eeuw ten toon. Een logische conclusie zou dan ook zijn dat het drinken van chocolade toen zeer populair moet zijn geweest. Het tegenovergestelde is waar: de consumptie bleef ver achter bij die van koffie en thee, die reeds populair werden, werd beperkt tot zeldzame gelegenheden en – omwille van de extreem hoge prijs – konden alleen de bovenlagen van de maatschappij genieten van deze lekkernij.

Een volledig chocoladeservies was niets meer dan een middel om rijkdom ten toon te spreiden, aangezien het betekende dat iemand het zich kon veroorloven regelmatig chocolade te consumeren. De chocoladeconsumptie bleef in die tijd dan ook zeer beperkt en het chocoladeservies diende als een soort barometer voor de rijkdom van de familie.

1725: De botanist Henry Sloane wijdt de eerste volledige monografie aan de cacaoboom.

1726: Koning George I heft belastingen op de verkoop en consumptie van chocolade.

1728: De familie Fry richt de eerste chocoladefabriek op in Bristol, Verenigd Koninkrijk, met hydraulische machines en uitrusting om de cacaobonen te verwerken en te malen.

1732: De Franse ambachtsman Debuisson vindt een tafel uit om cacao te malen. Er is nog steeds mankracht nodig, maar de verwerking gebeurt efficiënter en het harde werk wordt een beetje comfortabeler.

1737: De cacaoboom krijgt een officiële Latijnse botanische naam van Linnaeus: Theobroma cacao. De naam verwijst naar de mythische achtergrond van de boom en betekent letterlijk: “cacao, voedsel van de goden”.

Hoewel cacao uit Amerika komt, hebben de Verenigde Staten chocolade pas leren kennen in 1765. Het was John Hannon – een Engelse ambtenaar – die er voor het eerst cacao introduceerde. Samen met Dr. James Baker bouwden ze de eerste chocoladefabriek in Massachussets.

1778: In Frankrijk bouwt Doret de eerste machine die automatisch cacaobonen maalt.

1822: De wereldwijde vraag naar cacao stijgt naar mate de wereld enthousiaster wordt over chocolade. De politieke instabiliteit groeit evenwel in Latijns-Amerika en plantagearbeiders worden steeds zeldzamer. Daarom zoeken cacaohandelaren nieuwe gebieden om de kostbare boom te planten, die ze vonden in Ecuador, Brazilië, Azië en Afrika. Het zou in Afrika wel enkele decennia duren alvorens cacao een succes werd. Als gevolg van dit succes verschoof de cacaohandel geleidelijk van de oude naar de nieuwere plantages.

In 1828 deed de Nederlander Coenraad Van Houten een bijzonder belangrijke uitvinding die een impact zou hebben op de verdere geschiedenis van cacao en chocolade: de cacaopers. Deze pers maakt het mogelijk om vaste cacaodeeltjes te scheiden van cacaoboter. Dankzij deze uitvinding was Van Houten de eerste die ontvet cacaopoeder kon maken, dat veel eenvoudiger op te lossen is in water of andere vloeistoffen.

In 1840 werden de eerste geperste chocoladetabletten, pastilles en figuurtjes geproduceerd in België door het chocoladebedrijf Berwaerts.

Geschiedkundigen zijn het er nog steeds niet over eens wie de allereerste chocolade produceerde in vaste vorm, als de harde en glanzende chocolade die we vandaag de dag kennen. De Britse familie Fry beweert dat zij de allereerste chocoladereep op de markt hebben gebracht, in 1846: een belangrijke, historische stap. We mogen niet vergeten dat chocolade oorspronkelijk vooral werd geconsumeerd als een drank, een vloeistof. Chocolade werd verwerkt in koekjes en cakes, maar nooit geconsumeerd in een vaste vorm. De vooruitgang in de cacao en chocoladeproductie en industrialisering maakten het mogelijk om chocolade een creatieve en innovatieve vorm te geven die de toekomst voorgoed zou veranderen.

Na Baker en Hannon is een andere belangrijke naam in de Amerikaanse chocoladegeschiedenis Ghirardelli, een Italiaanse banketbakker. Hij reisde vaak naar Peru en begon bonen te exporteren naar San Francisco om ze aan goudzoekers te verkopen. In 1860 ontdekte Ghirardelli per toeval hoe hij bijna volledig vetvrij cacaopoeder kon produceren. Eén van zijn werknemers had wat overgebleven gemalen cacaobonen in een katoenen zak gestopt en een nacht laten liggen. De volgende morgen ontdekte Ghirardelli dat de cacaoboter geabsorbeerd was door de zak en op de vloer had gelekt. Later vond Ghirardelli een manier om cacaoboter uit gemalen cacao te verwijderen om zo een goed oplosbaar cacaopoeder te maken.

In 1865 werd in Italië chocolade voor het eerst gemengd met hazelnotenpasta. De eerste gianduja was geboren. Het werd snel een heel populair recept dat zelfs leidde tot het grote succes van de “gianduietti”, kleine bonbons van pure gianduja.

In veel Europese landen werd chocolade tegen het einde van de 19e eeuw wettelijk beschermd omdat het toen het voorwerp was geworden van een wereldwijde fraude: veel producenten produceerden goedkope chocolade door de cacao te vervangen door cacaoschillen en de cacaoboter door andere vetten. Tegelijkertijd ontwikkelden veel regeringen een groeiende verantwoordelijkheidszin voor veiligheid en zuiverheid van voedingsmiddelen. In de meeste Europese landen kon chocolade uitsluitend het etiket chocolade dragen als het minimaal 32% pure vaste cacaobestanddelen bevatte. In België legde de regering in 1894 dit percentage vast op 35%. De strikte controle en wettelijke vervolging van voedselfraudeurs zorgden voor een algemene kwaliteitsverbetering van chocolade.

Tot het begin van de 20e eeuw bleef chocolade het exclusieve voorrecht van de rijken en beroemden der aarde. Chocolade bleef extreem duur door de extreem hoge cacao en suikerprijzen in de 19e eeuw. Voor de chocoladeproducenten kon groei van de chocolademarkt alleen bereikt worden door de uitbreiding van de hogere inkomensgroepen.

Rond 1900 daalden de prijzen voor de twee hoofdingrediënten van chocolade – cacao en suiker - enorm. De vrijmaking van de cacaohandel en de afschaffing van de belastingen op cacao zorgden voor een toenemende democratisering van cacao en chocolade. Als gevolg hiervan werd chocolade betaalbaar voor een groeiend aantal vooral middenklasse consumenten in de eerste helft van de 20e eeuw.

In Italië begon Francesco Buitoni, een verwant van de befaamde pastafamilie, zijn chocoladeactiviteiten te ontwikkelen in 1907. In 1922 vond hij de beroemde “baci” (kussen in het Italiaans) uit en lanceerde ze op de markt. Dit zijn heel kleine chocoladebonbons verpakt in zilverpapier die een liefdesboodschap bevatten. Chocolade en romantiek gaan hand in hand.

Over heel Europa vestigden de grote namen in de chocoladewereld zich aan het einde van de 19e en het begin van de 20ste eeuw: net als onze leverancier, Callebaut®, dat chocolade begon te maken voor bakkers, chocolatiers en banketbakkers.

In het begin van de 20e eeuw kende de industrialisering van chocoladeproductie een snelle opmars in heel Europa en de VS. In België bijvoorbeeld waren in 1910 2.200 mensen tewerkgesteld in de chocoladesector, een aantal dat steeg naar 6.180 in 1937. Dit geeft duidelijk aan hoezeer de productievolumes toenamen.

Een Belgische uitvinding uit de jaren 1920 was de chocoladereep. Over heel Europa waren de chocoladetabletten van ongeveer 150 g echte bestsellers geworden. België was het eerste land dat de omvang verminderde tot 30 g en 45 g en in een tabletvorm produceerde. Deze werd door vele buitenlandse producenten overgenomen. De chocoladereep werd een populaire, betaalbare snack voor een ultieme en individuele culinaire ervaring.

Een derde grote (opnieuw Belgische) uitvinding werd gedaan door Frans Callebaut, één van de eigenaren van het Callebaut® merk. Hij vond een manier om couverture te produceren (couverture is chocolade met een hoog gehalte cacaoboter / melkvet, vooral bedoeld voor professioneel gebruik) en in vloeibare vorm op te slaan en te transporteren. Dit revolutionaire proces voorkwam dat chocolade eerst moest worden verhard in blokken, tabletten of repen en zo kon chocolade rechtstreeks bij de voedselproducenten worden afgeleverd. Dit verminderde ook de productiekosten zodat chocolade in nieuwe soorten voedingsmiddelen kon worden geïntegreerd, zoals ontbijtgranen, chocoladepasta’s, gevulde repen, candybars etc.

Na de Eerste Wereldoorlog verwierf chocolade langzaam maar zeker een nieuwe status in midden Europa en de VS, van een exclusieve lekkernij tot een voedingsmiddel voor massaconsumptie. Vóór de Eerste Wereldoorlog kon de werkende klasse in Europa alleen maar chocolade proeven en ervan genieten bij heel bijzondere en zeldzame gelegenheden, zoals Kerstmis en verjaardagen. Lage inkomens en hoge chocoladeprijzen maakten het nog steeds een luxe-item. Na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig, met een nieuwe golf van industrialisering en automatisering in de chocoladeproductie en met België als voortrekker bij het maximaliseren van kostenefficiëntie.

De ontwikkeling van chocoladeproducten werd ook op een hoger niveau getild. Chocolade was niet langer beperkt tot dranken en bonbons (pralines), maar werd verwerkt in een bijna eindeloos aantal nieuwe vormen: holle figuren, candybars, gevulde eieren, truffels, biscuits, ijs, brood en ontbijtbroodjes.

Van de Tweede Wereldoorlog tot vandaag zijn de verschillen in hoeveelheden chocoladeconsumptie tussen arbeiders, bedienden en de hogere inkomensklassen bijna volledig verdwenen. Het lijkt dat arbeiders de voorkeur geven aan chocolade in tabletten en candybars, terwijl de hogere inkomensgroepen meer verleid worden door bonbons.

De belangrijkste redenen voor de succesvolle introductie van chocolade bij gezinnen met lagere en gematigde inkomens waren niet alleen de lagere prijs waarvoor chocoladeproducten werden verkocht in de jaren 30 en 40. Geschiedkundigen toonden aan dat tussen de twee wereldoorlogen en erna chocolade het goedkoopste voedingsmiddel was per kilocalorie in vergelijking met eieren en vlees. Veel arbeiders zagen een reep chocolade dan ook als een verrukkelijk en bijzonder praktisch voedingsmiddel dat hen toeliet om heel snel te herstellen van het zware werk.

Ook het algemene geloof dat chocolade versterkende krachten heeft, die een ieders liefdesleven kunnen bevorderen en het feit dat het een status had als luxeproduct dat betaalbaar werd, maakte het zeer aantrekkelijk.

De massale groei in de chocolademarkt kwam er tussen de Tweede Wereldoorlog en de jaren 80.  Chocolade werd meer en meer geïntegreerd in de dagelijkse eetgewoonten.

Dankzij nieuwe productontwikkelingen werd chocolade ook een gewaardeerde smaakmaker in een ruime variëteit nieuwe en voedzame voedingsmiddelen.

Het grote verschil was dat vanaf de jaren 90 het genieten van voedsel en gezond voedsel als even belangrijk werden beschouwd. Dit verklaart waarom chocolade populair bleef: voor miljoenen mensen verschafte chocolade het ultieme genot en plezier en werd als puur en gezond beschouwd bij matige consumptie.

Het einde van de jaren 90 en het begin van de 21e eeuw gaven een nieuwe impuls aan chocolade. Meer en meer consumenten over de hele wereld zoeken actief naar voedsel dat niet alleen verrukkelijk is, maar dat ook bepaalde functionele voordelen heeft voor hun gezondheid en lichaam. Wetenschappelijke studies over cacao en chocolade hebben reeds een heel aantal potentiële voordelen aangetoond van matige cacao- en chocoladeconsumptie en er is nog meer op komst. Misschien hadden de Spaanse artsen en vroege wetenschappers in de 17e eeuw het bij het rechte eind toen zij de voordelen van de cacaoboon en chocolade op het vlak van voeding en gezondheid beschreven.

Bron: Callebaut